Home » Vogels » Hoe komt de vogel aan zijn naam?

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Wilt u niets missen, abonneer u dan op de nieuwsbrief.

Volg ons op Facebook

Onze sponsors

Hoe komt een vogel aan zijn naam ?

Als taalkundige ben ik geïnteresseerd in alles wat met taal te maken heeft. In combinatie met mijn fascinatie voor vogels heeft dat geleid tot de aanschaf van verschillende woordenboeken met vogelnamen en Nederlandsche Vogelen waarin vogels tussen 1770 en 1829 rijkelijk zijn beschreven en geïllustreerd. En dat levert al bladerend allerlei leuke observaties op.

Toine Andernach

Hoe komt de (schol)ekster aan zijn naam?

Toine AndernachDe ekster is al sinds lange tijd een inspiratiebron voor de naamgeving van verschillende andere vogels. Zo is dennenekster een oude volksnaam voor de notenkraker en houtekster de officiële Friese naam voor de gaai, beide net als de ekster lid van de familie van kraaiachtigen (Corvidae).

Ekster kan waarschijnlijk worden herleid tot het West-Germaanse *ago dat de puntige/scherpe betekent. En dat kan zowel op de snavel als op de staart slaan. Er bestond voor de ekster waarschijnlijk ook een samenstelling *aga-str-jon dat de basis vormde voor het woord voor ekster in verschillende andere talen. Het tweede deel *star(r)a(n) betekent spreeuw. Het Engelse starling komt daar vandaan (Kroonen, 2013).

Maar we hebben ook een paar eksters die geen familie van de ekster zijn. De klapekster en de scholekster danken het tweede deel van hun naam alleen aan hun verenkleed dat ook zwart-wit is. Ook het eerste deel van klapekster is trouwens misleidend: klap is afgeleid van klappen/kletsen/praten dat sommige vogels van de mens kunnen leren.  Dat kan de ekster echter wel, maar de klapekster helemaal niet. Klapekster is daarom een voorbeeld van een wel heel erg verkeerd terechtgekomen naam.

Maar waar komt schol van de scholekster dan weer vandaan? Volgens Eigenhuis (2004) en Blok en ter Stege (2008) zou schol afkomstig kunnen zijn van schelp of afgeslepen schelp. De scholekster splijt met zijn snavel de schelpen van mosselen en andere schelpdieren open. Philippa e.a. (2003-2009) beargumenteren echter dat het volgens de geldende klankwetten niet mogelijk is dat schol is afgeleid van schelp of schel.

In het Middelnederlands, dat tussen ongeveer 1200 en 1500 in onze streek werd gesproken, waren al drie betekenissen van het woord schol bekend: aardkluit, ijsschots en soort platvis. De scholekster eet geen schol, dus de verklaring soort platvis lijkt daarmee af te vallen. En ijsschots klinkt ook niet erg aannemelijk. Philippa e.a. (2003-2009) denken aan aardkluit of schijf klei als meest voor de hand liggende betekenis. Die aardkluit zou dan de plaats zijn waarop je de scholeksters kunt vinden.

Maar via een andere ingang zouden we misschien toch weer bij schol in de betekenis van soort platvis uit kunnen komen. Wilms (2016) wijst ons namelijk op een andere interessante verklaring die al in deel 1 van de Nederlandsche Vogelen (1770) wordt gegeven:

“In den tyd, waer in op onze Eilanden en langs onze kust veel werks gemaekt wordt van ’t zouten en droogen van Schollen en Scharren, vindt men deeze vogelen overvloedigst, en men heeft waergenomen, dat zy, wanneer hunne veiligheid daer mede niet gemoeid is, die plaetsen ’t meest in ons Duin bezoeken, op de welken het Schollegrom, d.i. de Ingewanden der zoo even gemeldde vischen, wordt nedergesmeeten; daer zy dan op die wegwerpselen, dik bezet met keinere schelpvisschen uit de robben der scharren en schollen, koomen aezen. Dit kan misschien de aenleiding aen onze Zeedorpelingen gegeeven gehad hebben, om deeze vogelen Scholaeksteren te noemen… (…)”

De ingewanden van de schol (grom) werden als restafval van de visserij op een hoop gegooid. Scholeksters kwamen af op dit zogenaamde schollegrom om daar de meegekomen schelpdieren te verorberen. En om die reden zou de scholekster dus z’n naam hebben kunnen krijgen. Ik denk dan wel: waarom heet ie dan geen gromekster? Wie ’t weet mag ’t zeggen…

Gebruikte bronnen

Blok, H., ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.

Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.

Philippa, M., F. Debrabandere, F., Quak, A., Schoonheim, N. en van der Sijs, N. (2003-2009). Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam.

Wilms, H. (2016). Wetenschappelijke namen van de Vogels van Europa, op http://www.wnve.nl.

De afbeelding komt uit: Dresser, H.E. (1871-1881). A History of the Birds of Europe, including all the species inhabiting the Western Palæarctic Region, Vol. 2, London: published by the author.

Hoe komt de Cetti’s zanger aan zijn naam?

Toine AndernachVerschillende vogels die in Nederland worden waargenomen, hebben een naam die ontleend is aan een persoon, zoals de Pallas’ boszanger en de Ross’ gans, vernoemd naar respectievelijk een achttiende-eeuwse Duitse zoöloog en botanicus en een negentiende-eeuwse Ierse natuuronderzoeker.

Zo ook de Cetti’s zanger die in 1968 voor het eerst in Nederland werd gesignaleerd en sindsdien enorm in aantal is toegenomen. De Cetti’s zanger is vernoemd naar de in Duitsland geboren wiskundige, filosoof en Jezuïet met Italiaanse ouders Francesco Cetti (1726-1778). Cetti werd in 1765 door de Koning van Sardinië uitgenodigd om het onderwijs op het eiland te verbeteren. Hij ging regelmatig op stap op het eiland en deed zo ook nieuwe ontdekkingen (Birder, 2015). In 1776 publiceerde hij Gli uccelli di Sardegna (de vogels van Sardinië), het tweede deel van zijn Storia Naturale di Sardegna (Natuurlijke geschiedenis van Sardinië). Hierin beschrijft hij de usignuolo di fiume (letterlijk riviernachtegaal), onze huidige Cetti’s zanger (Wilms 2016).

Maar wie gaf de Cetti’s zanger dan zijn naam? In de negentiende eeuw broedden Cetti’s zangers vooral in het Middellandse zeegebied. En veertig jaar na de dood van Cetti bracht Alberto della Marmora (Italiaans soldaat en natuuronderzoeker) veel tijd door op Sardinië en verzamelde daar ook Cetti’s zangers. In 1820 gaf hij deze soort de naam Sylvia Cetti om Cetti te eren. En het was de Nederlandse zoöloog en oprichter van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie Coenraad Jacob Temminck die voor het eerst een volledige beschrijving van Sylvia Cetti gaf (Temminck 1820-1840). De Temminck’s strandloper is (naast veel andere soorten) naar hem vernoemd.

In 1834 kreeg de Cetti’s zanger van Karel Lucien Bonaparte (neef van keizer Napoleon) zijn eigen geslacht en daarom heeft ie nu de wetenschappelijk naam Cettia Cetti. Maar dat is nog niet alles, want de Cettia Cetti is ook nog ‘s lid van de familie van Cettiidae (struikzangers). Nou, dat was wel weer genoeg Cetti.

Gebruikte bronnen:

Birder, K. (2015). Francesco Cetti (1726-1778)…..What’s in a Name?, op http://killybirder.blogspot.com/2015/11/francesco-cetti-1726-1778whats-in-name.html.

Blok, H., ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.

Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

Sovon Vogelonderzoek Nederland (2019). Vogelatlas van Nederland, vierde druk, Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers. blz. 426-437.

Temminck, J.-C., (1820-1840). Manuel d’ornithologie, ou, Tableau systématique des oiseaux qui se trouvent en Europe, tweede druk, deel 1, op https://biodiversitylibrary.org/page/41001498.

Wilms, H. (2016). Wetenschappelijke namen van de Vogels van Europa, op http://www.wnve.nl.

Hoe komen de mezen aan hun naam?

Toine AndernachVanochtend zag ik ‘m voor ’t eerst in de Vockestaert: de buidelmees. De buidelmees is geen ‘echte’ mees (geen lid van de familie Paridae) maar werd lange tijd onder de mezen geschaard door z’n meesachtige gedrag en geluid. Hij kreeg het eerste deel van z’n naam in 1858 vanwege het mooie buidelvormige hangende nest dat ie maakt. Voor die tijd kreeg ie om die reden trouwens zijn eerste Nederlandse naam: Europisch Hangnestje.

De meeste in Nederland voorkomende mezen hebben een naam die is afgeleid van een opvallend lichaamskenmerk: de staartmees heeft een lange staart en de kuifmees een kuif. En de koolmees heeft een zwarte kop en hals die overeenkomt met de kleur van kool. Dat heeft de zwarte mees ook (vandaar dat ie zwarte mees heet :-). En om de verwarring nog groter te maken heet de zwarte mees in het Engels coal tit, dat in het Nederlands vertaald kan worden als koolmees.

Dan hebben we nog de matkop en de glanskop, die geen mezen heten maar het wel zijn. Tot de eerste helft van de 19de eeuw werden ze nog niet als aparte soort herkend en heetten ze eerst Riet-Mees (in Nederlandsche Vogelen) en later Zwartkopmees. Toen ze ieder hun eigen naam kregen werd het eerst Glanskop-Zwartkopmees en Matkop-Zwartkopmees en in de loop der tijd via matkopmees en glanskopmees dus alleen maar korter.

Van de naam pimpelmees is het allemaal nog niet zo duidelijk. Je zou door het woord pimpelpaars denken dat zijn naam ook afgeleid is van deze kleur. Maar pimpelpaars is niet de kleur van de kop van de pimpelmees. Toch wordt er door sommigen gedacht dat ’t andersom is: dat pimpelpaars afgeleid is van pimpelmees.

Maar waar komt pimpel dan vandaan? Waarschijnlijk van het Nederduitse pimpeln dat als een belletje klingelen betekent. Als dat klopt hebben we bij de pimpelmees dus voor een deel met een klanknabootsende naam te maken (een halfonomatopee).

De naam mees is trouwens afkomstig van het Oudhoogduits meisa wat ook al mees betekende. Een andere herkomst van de naam is verder niet bekend of onzeker. Mees komt al voor in Middelnederlandse teksten, zoals in het Haagse liederhandschrift uit omstreeks 1400 met het zinnetje Si hiet mi gaen vangen meesen (Zij droeg me op mezen te gaan vangen). Gelukkig vangen we ze tegenwoordig vooral in de kijker.

Toine Andernach

Gebruikte bronnen:

  • Anoniem (omstreeks 1400). Haags liederhandschrift, van https://dbnl.org/tekst/_haa002ekos01_01/_haa002ekos01_01_0107.php.
  • Blok, H., ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.
  • Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.
  • Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.
  • Sijs, N. van der (samensteller) (2010). Etymologiebank, op http://etymologiebank.nl/.
  • Svensson, L. & Grant, P. J. (2016). ANWB Vogelgids van Europa. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.
  • Wilms, H. (2016). Wetenschappelijke namen van de Vogels van Europa, op http://www.wnve.nl.
  • WNT (1882-1998). Woordenboek der Nederlandsche taal, op http://wnt.inl.nl/. Bewerkt door M. de Vries en L.A. te Winkel (et al.). ‘s-Gravenhage: Nijhoff.

Hoe komt de smient aan zijn naam?

Toine AndernachEr was een tijd dat de eenden werden onderverdeeld in de hele eendvogels en de halve eendvogels. Jagers en poeliers spraken over halve eenden om de kleinere eenden te onderscheiden van de grotere eenden al was het alleen maar om meer geld te kunnen vragen voor de grotere.

Interessant is dat de halve eendvogel in Nederlandsche Vogelen 1770-1829 nog als aparte soort wordt beschreven. De illustratie die bij de tekst van de halve eendvogel is opgenomen, verraadt echter dat ’t hier om een smient gaat.

Dat hebben de auteurs overigens later ook zelf ontdekt: in deel V is een hoofdstuk Veranderingen, verbeteringen en bijvoegsels, van de benamingen de vogels, zoo als dezelve op den korten inhoud voor ieder deel geplaatst zijn opgenomen. En daarin staat onder andere: Vierde deel, plaat 178 staat Anas Dimidiata, moet zijn Anas Penelope Juvalis. En Anas Penelope is de wetenschappelijke naam voor smient.

De naam halve eendvogel is dus afgeleid van de grootte van de smient. Maar geldt dat ook voor de naam smient?

Lang heeft men gedacht dat dat inderdaad het geval is. In het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT, 1882-1998) staat bijvoorbeeld dat smient waarschijnlijk bestaat uit “een eerste lid beantwoordend aan ohd. smâhi, klein en Eend; (…)”. Ook Eigenhuis (2004) redeneert dat smient waarschijnlijk een afleiding is van smeant dat bestaat uit sme (klein) en ant (eend).

Dat het tweede deel ent afgeleid is van oude woorden voor eend daar zijn de geleerden het wel over eens. Maar met smi ligt het wat ingewikkelder: volgens Kroonen (2013) is het niet mogelijk dat smi in smient ontstaan is uit het Proto-Germaanse woord *smēha– (klein).

Guus Kroonen (persoonlijke communicatie, 15-11-2018) schrijft daarover per e-mail:

Proto-Germaans *smēha– kan zich volgens de ons bekende klankwetten niet ontwikkeld hebben tot Nl. smie-nt en Duits Schmü-ente. De enige mogelijke reconstructie van het eerste lid van deze samenstelling is *smeuh-. Het tweede deel is identiek met Proto-Germaans *anad– ‘eend’. De oorspronkelijke samenstelling was dus *smeuha-anad-, maar het simplex (losse woord) bestond ook: *smeuhō-.
(…)
Verder is het een raadselachtig woord waarvan de diepere oorsprong onbekend is.

Naar de diepere oorsprong van het woord smient kan dus alleen maar worden gegist. Misschien is het uiteindelijk toch weer een klanknabootsing, zoals zoveel andere Nederlandse vogelnamen.

Kortom, als je denkt duidelijkheid te gaan verschaffen over de herkomst van een vogelnaam, dan wordt ’t soms alleen maar ingewikkelder…

Toine Andernach

 

Gebruikte bronnen:

Blok, H., ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.

Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

Kroonen, G. (2013). Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden Indo-European Etymological Dictionary Series, Volume: 11. Leiden/Boston: Brill.

Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.

Svensson, L. & Grant, P. J. (2016). ANWB Vogelgids van Europa. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.

Wilms, H. (2016). Wetenschappelijke namen van de Vogels van Europa, van http://www.wnve.nl.

WNT (1882-1998). Woordenboek der Nederlandsche taal, van http://wnt.inl.nl/. Bewerkt door M. de Vries en L.A. te Winkel (et al.). ‘s-Gravenhage: Nijhoff.

Hoe komt de fuut aan zijn naam?

Toine Andernacht

Als taalkundige ben ik geïnteresseerd in alles wat met taal te maken heeft. In combinatie met mijn fascinatie voor vogels heeft dat geleid tot de aanschaf van verschillende woordenboeken met vogelnamen en Nederlandsche Vogelen waarin vogels tussen 1770 en 1829 rijkelijk zijn beschreven en geïllustreerd. En dat levert al bladerend allerlei leuke observaties op.

Veel vogelnamen zijn afgeleid van het geluid dat die vogel maakt. Koekoek, oehoe en tjiftjaf zijn daar bekende voorbeelden van: de naam is een fonetische nabootsing of suggestie van het geluid. Dit soort vogelnamen zijn (zuivere) onomatopeeën. Er zijn ook half-onomatopeeën zoals schreeuwarend en korhoen. In deze namen wordt alleen verwezen naar een geluid en wordt het geluid zelf niet nagebootst.

Bij sommige vogelnamen is het wat minder duidelijk of er sprake is van een onomatopee. Hoe zit dat eigenlijk met fuut?

Lang heeft men gedacht dat fuut inderdaad een klanknabootsing was, maar dat is niet waarschijnlijk: alleen het bedelend gepiep van de jongen komt bij zo’n soort geluid in de buurt.

Klaas Eigenhuis beargumenteert in zijn omvangrijke en gedegen Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen dat het logischer is dat fuut, via foet, ontstaan is uit zijn vroegere naam aarsvoet. Deze naam verwijst naar de ver naar achter staande poten van fuutachtigen waardoor het lijkt alsof de poten uit de billen steken. Ook zijn wetenschappelijke genusnaam Podiceps heeft indirect dezelfde betekenis: het is een gewijzigde versie van Podicipes (aarspoot of aarsvoet).

Taalkundig is de evolutie van aarsvoet naar fuut ook te verklaren: de v van voet wordt uitgesproken als een f na de s van aars. Daarna is aars weggevallen, waardoor het korter en waarschijnlijk ook netter werd, en bleef foet over. En de overgang van foet naar fuut kan door een klankwet worden verklaard waarin een oe een uu (en uiteindelijk een ui) wordt, zoals ook in hoes -> huus -> huis.

Overigens werd de fuut vroeger ook PronkvogelKeizer en Bonte Visscher genoemd, waarmee zijn statige en kleurrijke karakter werd benadrukt. Dat klonk toch wat complimenteuzer dan aarsvoet….

Toine Andernach

Gebruikte bronnen:
Blok, H., ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.
Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.
Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.
Svensson, L. & Grant, P. J. (2016). ANWB Vogelgids van Europa. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.

 

Naar Geluiden

Bijzondere waarnemingen in regio

Activiteiten

mrt
23
za
07:00 Voorjaarswandeling Delftse Hout
Voorjaarswandeling Delftse Hout
mrt 23 @ 07:00 – 10:00
Data: 23 maart, 30 maart, 6, 13, 20, 27 april, 07.00 uur Aanmelden: is niet nodig. Start: Korftlaan tegenover de Papaver Met de komst van de lente worden er in Delftste Hout zes wandelingen georganiseerd … Lees verder
08:00 Kennemerduinen
Kennemerduinen
mrt 23 @ 08:00 – 16:00
Het strand, de haven (met de sluizen) en de pier van IJmuiden vormen een mooie plek aan de kust om deze tijd van het jaar zeevogels en trekvogels te spotten. Soms zijn er ook bruinvissen … Lees verder
mrt
30
za
07:00 Voorjaarswandeling Delftse Hout
Voorjaarswandeling Delftse Hout
mrt 30 @ 07:00 – 10:00
Data: 23 maart, 30 maart, 6, 13, 20, 27 april, 07.00 uur Aanmelden: is niet nodig. Start: Korftlaan tegenover de Papaver Met de komst van de lente worden er in Delftste Hout zes wandelingen georganiseerd … Lees verder
apr
6
za
07:00 Voorjaarswandeling Delftse Hout
Voorjaarswandeling Delftse Hout
apr 6 @ 07:00 – 10:00
Data: 23 maart, 30 maart, 6, 13, 20, 27 april, 07.00 uur Aanmelden: is niet nodig. Start: Korftlaan tegenover de Papaver Met de komst van de lente worden er in Delftste Hout zes wandelingen georganiseerd … Lees verder
apr
7
zo
12:00 Rondje Groenzoom, fiets- , wande...
Rondje Groenzoom, fiets- , wande...
apr 7 @ 12:00 – 16:00
Let op : datum is gewijzigd! Rondje Groenzoom (fiets en wandelexcursie). Start: Korftlaan tegenover Papaver. Informatie en aanmelden op donderdag 4 april tussen 19:00 en 21:00 uur bij Peter Elfferich (015-3613259) De Groenzoom is een … Lees verder