Home » Vogels » Hoe komt de vogel aan zijn naam?

Categoriearchief: Hoe komt de vogel aan zijn naam?

Aanmelden voor de nieuwsbrief

Wilt u niets missen, abonneer u dan op de nieuwsbrief.

Volg ons op Facebook

Onze sponsors

Hoe komt een vogel aan zijn naam ?

Als taalkundige ben ik geïnteresseerd in alles wat met taal te maken heeft. In combinatie met mijn fascinatie voor vogels heeft dat geleid tot de aanschaf van verschillende woordenboeken met vogelnamen en Nederlandsche Vogelen waarin vogels tussen 1770 en 1829 rijkelijk zijn beschreven en geïllustreerd. En dat levert al bladerend allerlei leuke observaties op.

Toine Andernach

Hoe dikker, hoe mooier

Toine Andernach
‘Less is more’ is vaak waar: hoe korter een verhaal en hoe dunner een boek, hoe beter het wordt. Maar dat geldt niet voor de vogelboeken die ik in de kast heb staan. De een is nog dikker en mooier dan de ander. Ik zal er hier vijf de revue laten passeren. Misschien is dit een leuke uitnodiging om ook je favoriete vogelboek te bespreken?

In de jaren ‘70 was ik enthousiast lid van Natuurwacht Bommelerwaard en trok ik iedere twee weken de natuur in onder begeleiding van de zeer actieve excursieleider Ton van Balken. Ik gaf er zelfs mijn lidmaatschap van de voetbalvereniging voor op toen bleek dat het vanwege de samenvallende tijden niet meer allebei kon. In die tijd bladerde ik regelmatig door een vogelboek dat Ton in zijn kast had staan en kon ik mijn ogen niet af houden van de prachtige vogelillustraties. En wat een mooi toeval dat Mark zijn boekenkast ging leegruimen, ik daarin gratis mocht shoppen en toen ook dit boek tegenkwam! Het beste vogelboek, het kleinste in deze lijst, maar met voor mij de grootste sentimentele waarde.

Readers Digest (1971). Het beste vogelboek. Amsterdam: Uitgeversmaatschappij The Reader’s Digest NV.

483 pagina’s, 3,8 cm dik, 1,6 kilo zwaar

 

Van de jaren ’70 direct naar de jaren ’20: toen Annemieke me enthousiast over dit pas verschenen boek vertelde, werd ik hebberig. Dan wordt bol.com mijn beste vriend. En ik heb er geen moment spijt van gehad. All the birds of the world: 968 bladzijden vol met bijna 21.000 afbeeldingen van alle meer dan 11.000 vogels die er op onze aardkloot te vinden zijn. Als je ze zo bij elkaar ziet, is het gewoonweg niet te geloven dat al die vogels bestaan. 156 soorten koekoeken, 256 spechten en 379 kolibries. Niet te bevatten! Als je je wilt onderdompelen in de wondere wereld van vogels en je door zoveel schoonheid wilt laten overrompelen, dan moet je dit boek in de kast hebben staan (En nee, ik heb geen aandelen).
del Hoyo, J. (2020). All the birds of the World. Barcelona: Lynx Edicions.

968 pagina’s, 4,9 cm dik, 4,0 kilo zwaar

 

En dan naar een nog zwaarder en minstens zo bijzonder boek. Toen het net uit was (in 2014) had ik het al eens in zijn grootste versie bij Huijser zien liggen: 12,5 kilo zwaar en 9 cm dik. En een paar jaar later wees Peter me weer op Nederlandsche Vogelen, een reeks van vijf delen uit de jaren 1770-1829, in één boek samengepakt. Er was inmiddels ook een iets kleinere versie uitgekomen die ik direct aanschafte. En wat een lust voor het oog! Het boek is geïllustreerd met 250 prachtige met de hand ingekleurde prenten en van veel vogels wordt het uiterlijk, gedrag en voorkomen beschreven. Het boek geeft een bijzonder tijdsbeeld want je leest ook hoe lekker of vies sommige soorten zijn en dat je ze pas echt goed kunt determineren en tekenen als je ze eerst hebt geschoten.
Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.

832 pagina’s, 6,8 cm dik, 5,2 kilo zwaar

 

Een geheel ander boek, maar minstens zo indrukwekkend is het Verklarend etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Dit boek is het resultaat van jarenlang monnikenwerk door Klaas Eigenhuis. Hij zocht van alle in Nederland voorkomende vogels uit hoe ze aan hun Nederlandse of Friese naam zijn gekomen. Ook volksnamen komen daarbij aan bod. Dat heeft geresulteerd in een encyclopedisch woordenboek, waarin per item uitgebreid wordt ingegaan op de herkomst en etymologie van vogelnamen. Alles wat er te weten is over vogelnamen, staat er in. Een perfect naslagwerk dat als basis voor mijn boek Baardman en boterkontje, de vogel en zijn naam heeft gediend.
Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

670 pagina’s, 4,8 cm dik, 1,8 kilo zwaar

 

Over monnikenwerk gesproken: dit boek is tot stand gekomen na drie jaar lang veldwerk door meer dan 2000 vogelaars om het voorkomen van vogels in Nederland in kaart te brengen. Voor iedere soort is op een of meerdere kaartjes van Nederland aangegeven waar ze zijn waargenomen, voor zover van toepassing als broedvogel of als wintergast. En vaak staat er ook een kaartje bij met het voorkomen in de vorige atlas, zodat je een ontwikkeling kunt zien. De meest recente versie van de Vogelatlas van Nederland is de vierde in 40 jaar. Erg indrukwekkend wat je met zoveel betrokken vogelaars kunt bereiken!

Sovon Vogelonderzoek Nederland (2019). Vogelatlas van Nederland. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers.

640 pagina’s, 4,8 cm dik, 3,7 kilo zwaar

 

Klein, kleiner, kleinst

Toine Andernach

In vogelnamen wordt op verschillende manieren uitgedrukt dat een vogel klein is: door het gebruik van een verkleinwoord (nonnetje), door toevoeging van een eerste samenstellend deel zoals dwerg– (dwergstern) of een bijvoeglijk naamwoord zoals kleine of kleinst(e) (kleine karekiet, kleinste strandloper).

Dat brengt me op de kleine zwanen die ik vorige week in de Vockestaert zag. Die leken helemaal niet zo klein. Ik bedoel, ze waren ver weg, stipjes aan de horizon, maar ze leken niet veel kleiner dan de knobbelzwanen die in hetzelfde weiland stonden. Toch zijn ze gemiddeld een paar tientallen centimeters kleiner, ook dan de wilde zwanen waar ze meer op lijken. Schijn bedriegt door verschillen in afstand, lichtval, houding van de vogel en reliëf in het landschap. ‘Klein’ is natuurlijk ook een relatief begrip. Het hangt er maar vanaf waarmee je het vergelijkt: een kleine mantelmeeuw en een dwergkasuaris zijn veel groter dan een grote barmsijs en een reuzenkolibrie. Maar binnen een geslacht klopt het wel: de kleinste, kleine, middelste en grote jager lopen op in grootte.

Zo’n vijfentwintig jaar geleden heetten goudhanen nog liefkozend goudhaantjes en de winterkoning winterkoninkje. En we hadden nog het visdiefje, het witgatje, het waterhoentje en het baardmannetje. Maar die hebben dus allemaal een je-loze machonaam gekregen omdat men vond dat het verkleinwoord niets zei over de werkelijke grootte. Uitzondering is gemaakt voor de non, de paap en de bok die gewoon nonnetje, paapje en bokje zijn blijven heten omdat hun verkorte naam uit maar één lettergreep bestaat.

Bladerend in Nederlandsche Vogelen uit de 18de/19de eeuw kwam ik namen tegen die we nu niet meer gebruiken. En soms waren die wat logischer dan de huidige namen: Kleine fuut voor de dodaars want dat is onze kleinste fuut en Kleine Zaagbek voor het nonnetje want dat is onze kleinste zaagbek. In diezelfde tijd werden soms woorden als halve en enkele aan vogelnamen toegevoegd om de kleine omvang ten opzichte van andere familieleden aan te geven. En omdat veel vogels nog op het bord belandden, waren die toevoegingen ook een hulpmiddel voor jagers en slagers. De halve eendvogel werd als een aparte soort beschouwd maar bleek een smient te zijn. Een Halfsnepje was een bokje, dat een stuk kleiner is dan een watersnip. En als kleinste eendje was de wintertaling een Halfje of een Vierling. Bij de karekieten zat het vroeger wat anders dan tegenwoordig. Enkele of Kleine Karrakiet en Karrakietje waren de namen voor de rietzanger en de spotvogel.

In Nederlandsche Vogelen heet onze kleine bonte specht nog Allerkleinste Bont-Specht. Maar in Zuid-Amerika heb je de kleine dwergspecht. Dat zal dan wel de allerkleinste specht zijn, zou je denken. Maar het allerallerkleinste familielid van de spechten is toch echt de goudkapdwergspecht van hetzelfde continent. Die is met zijn 7,5 cm ongeveer twee keer zo klein als onze kleine bonte. En maar 1,5-2,5 cm groter dan de allerallerkleinste vogel op aarde, de bijkolibrie. Terwijl je toch zou verwachten dat de dwergkolibrie die eer op zou strijken.

Gebruikte bronnen

Blok, H. & ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.

del Hoyo, J. (2020). All the birds of the World. Barcelona: Lynx Edicions.

Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.

Hoe komen de reigers aan hun naam?

Ik wil ‘t niet meteen met de pietendiscussie vergelijken maar de leden van de familie reiger hebben in de loop der tijd ook alle kleuren van de regenboog gehad.

De blauwe reiger was in de 14de eeuw oorspronkelijk gewoon een reiger en daarna lange tijd een grauwe reiger en zelfs een graauwe vischreiger. Die namen kwamen overeen met zijn daadwerkelijke kleur: grijs. En in het Engels is ie nog steeds een grey herron.

De purperreiger kwam pas in 1763 in het Nederlands om de hoek kijken onder de naam Purpere gekuifde Reiger. Maar hij werd in eerst instantie roode reiger genoemd en ook Bruin-roode reiger. In het Fries is het ook een reade reager.

In de 18de eeuw waren zilverreigers bekend onder de naam witte reiger. En alsof dat nog niet genoeg is, is de zeldzamere ralreiger in het Fries een brune reager.

Reigers spreken nogal tot de verbeelding vanwege hun omvang, voorkomen en nabijheid. Vandaar dat ze in sommige dialecten troetelnamen hebben gekregen die verwijzen naar voornamen: De blauwe reiger heet Ome Kees op Terschelling en Blauwe Jaap in West-Friesland. Daarin is ie trouwens niet uniek. De scholekster (bonte Piet), winterkoning (kleine Jan) en wielewaal (Grete van Gluurne) smaken onder andere ook dat genoegen.

Maar de blauwe reiger is vanwege ongepast gedrag in bepaalde streken ook bekend onder minder flatterende bijnamen zoals schijtreiger en krijser. Die laatste hangt samen met de betekenis van reiger zelf. De precieze herkomst is niet helemaal zeker, maar is waarschijnlijk terug te voeren tot het Protogermaanse *hraigran, dat krijsen betekent. Dat hier een klanknabootsing in het spel is, is wel waarschijnlijk.

In de Middeleeuwen maakte men zich minder druk om naamgeving. Het was veel belangrijker dat reigers lekker smaakten. Dat blijkt al uit onderstaand fragment uit Der naturen Bloeme van van Maerlant uit de 13de eeuw:

Som wit ende som van sciere wise,
Maer die sciere sijn best ter spise,
Van smaken best ende ghesont
Sommige zijn wit en sommige grauw,
maar de grauwen zijn het best te eten,
van smaak best en gezond.

En tot ver in de 18de eeuw werden in Bretagne volgens NV speciale reigernesthokken neergezet om ze te vangen:

(…) leverende hunne Jongen aldaar een voordeelig Inkomen, doordien die eetbaar zijn, en wel gemest zeer smaakelijk geacht worden.

Ze lustten dus wel pap van jonge reigers!

Toine Andernach

Gebruikte bronnen

Blok, H. & ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.

Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

Kroonen, G. (2013). Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden Indo-European Etymological Dictionary Series, Volume: 11. Leiden/Boston: Brill.

Maerlant, J. van (1878). Der naturen bloeme. Ed.: Eelco Verwijs. Groningen: J.B. Wolters.
Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.

Philippa, M., F. Debrabandere, F., Quak, A., Schoonheim, N. en van der Sijs, N. (2003-2009). Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam, op http://etymologiebank.nl/.

 

Hoe komt de ijsvogel aan zijn naam?

De ijsvogel kan niet tegen ijs.” En dat hebben we niet van de eerste de beste. John Kleijweg meldde dat afgelopen donderdag tijdens zijn interessante en vermakelijke presentatie over de vogels van Midden-Delfland. En hij zette zijn stelling kracht bij door te memoreren dat het aantal ijsvogels in de winter van 2008-2009 op bepaalde plekken in Nederland was gedecimeerd. In de Volkskrant was dat toen ook te lezen:

(…) De grootste slachtingen vielen deze winter in Limburg, Noord-Brabant en Gelderland. Daar was het het koudst. In december telden mensen in Gelderland nog 39 ijsvogels en in januari nog maar drie. In februari was er nog maar een te zien. (…)”. Volkskrant 16 maart 2009

Toch werd er wel vaak een verband gelegd met ijs bij het verklaren van zijn naam. In Nederlandsche Vogelen staat bijvoorbeeld:

De benaaming van Ysvogel is daar van afkomstig, dat men hem op de binnen-Wateren meest aantreft by vriezend Weer. Andere benaamingen, van duisterer afleiding, ga ik voorby.

De ijsvogel wordt inderdaad vaker gezien in de kou omdat hij dan niet verscholen zit achter bladeren maar op een kale tak te vinden is in de buurt van een wak. En met z’n felle kleuren tegen een lichte/witte achtergrond is ie dan ook veel beter te zien.

IJs- zou dan van het Oudhoogduitse (8ste eeuw) isarn afgeleid zijn. Isa is ‘ijs’ en Arn ‘arend’ dus dat zou dan op ijsarend uitkomen. En de manier waarop de ijsvogel al stootduikend zijn vis vangt, lijkt op hoe bijvoorbeeld de visarend dat doet. Arn zou heel vroeger ook gewoon ‘vogel’ zijn geweest, waardoor isarn letterlijk op ijsvogel uitkomt.

Maar het kan ook zijn dat de naam ijsvogel niks met ijs te maken heeft. Isarn betekent namelijk als geheel ook ‘ijzer’. En de felblauwe kleur van de ijsvogel zou dan gelinkt zijn aan de blauwglanzende kleur van ijzer. Het Duitse woord voor ijzer is ook Eisen.

In de 11de eeuw bestond in het Oudhoogduits isanuogal waarin het woord vogel voorkomt. In de verklaring met ijzer zou dit dan ‘ijzervogel’ betekenen. Het grappige is dat het in de verklaring met ijs een tautologische samenstelling wordt. Het woord vogel komt er twee keer in voor: is+arn+uogal => ijs+arend/vogel+vogel.

Deze samenstellingen kunnen ontstaan doordat mensen de betekenis en opbouw van het oorspronkelijke woord niet meer kennen en er dan een nieuw woord aan vastplakken. Ook tortelduif en struisvogel zijn tautologische samenstellingen want turtur is al tortelduif en struis komt van Latijn struthio wat al struisvogel betekent.

En dat heb ik geheel en al gratis en voor niets keurig netjes voor u op een rijtje gezet. Klaar uit!

Toine Andernach

 

Gebruikte bronnen

Blok, H. & ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.

Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

Kerkhof, P. A. (7 juli 2016), Over struisvogels, windhonden en maaltijden. Hoe leenwoorden inzicht verschaffen in onze taalgeschiedenis. Op https://www.nemokennislink.nl/publicaties/over-struisvogels-windhonden-en-maaltijden/.

Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.

Volkskrant (16 maart 2009), Helft ijsvogels dood door koude winter. Op https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/helft-ijsvogels-dood-door-koude-winter~bbee8717/.

Wikipedia (17 november 2019), Tautologie (stijlfiguur). Op: https://nl.wikipedia.org/wiki/Tautologie_(stijlfiguur)

Hoe komt de ooievaar aan zijn naam?

Toine AndernachEen ooievaar met darmproblemen vliegt met zijn partner naar zee waar door zijn partner zout water in zijn achterwerk wordt gespoten om de boel ’s goed door te spoelen.

Althans, dat is wat Bartholomaeus Anglicus (1203-1272) beschrijft in Van den proprieteyten der dinghen. Klisma’s waren in die tijd blijkbaar niet voorbehouden aan mensen. Een mooi staaltje mantelzorg van moeder natuur.

Het toegewijde gedrag van ooievaars als jongen, partner en opvoeder, en later als vermeend babybezorger spreekt al eeuwen tot de verbeelding. In de 13de eeuw schreef Jacob van Maerlant in zijn Der Naturen Bloeme over de ooievaar:

 

Plinius die wil bekinnen
dat si hare ionc sere minnen.
Oec sijn de ionc der moeder goet
want also langhe alsoese voet
also langhe voetsise weder.
Plinius wil laten weten
dat ze hun jongen zeer beminnen.
Ook zijn de jongen voor de moeder goed
want al zolang zij hen voedt
voeden zij haar ook.

Zijn trouwe karakter heeft ‘m waarschijnlijk tot symbool van Den Haag gemaakt. Maar ook Delft heeft een speciale band met de ooievaar. Op 3 mei 1536, tijdens de grote stadsbrand, werd ook Oude Delft 167 (het huidige Gemeenlandshuis) getroffen. En op het dak was een ooievaarsnest gevestigd.

Het verhaal gaat dat moeder ooievaar geprobeerd zou hebben om haar jongen uit de vlammen te redden en ze daarna (toen dat niet lukte) met haar gespreide vleugels op het nest wilde beschermen. En dit leidde uiteindelijk tot hun dood…

Naar dit verhaal wordt ook verwezen in Nederlandsche Vogelen maar het is al veel ouder. Cornelis Musius (1500 – 1572), de rector van het St. Agatha-klooster, schreef het gedicht De Delftse ooievaar (in Latijn) waarschijnlijk niet lang na zijn benoeming in 1538. En Theo van der Heijden maakte er in het jaarboek 2011 van Delfia Batavorum een mooie Nederlandse vertaling van. Het onderstaande fragment beschrijft het gedramatiseerde einde van het verhaal:

“(…)
Totdat in pogingen vol liefde
Teleurgesteld, de hoop verloren,
Zij zich spontaan werpt in het vuur,
Omdat zij liever eervol met
Haar dierbaar kroost de dood in wilde
Dan dat zij ontrouw was en leefde.
(…)”

En nu terug naar de herkomst van de naam ooievaar. Een van de mogelijke verklaringen van de naam houdt verband met zijn status als geluksbrenger: de ooievaar zou voorspoed brengen aan de bewoners van het huis waarop ie broedt.

In het Middelnederlands (1200-1500) kwamen vormen voor als odevare en oudeuaer. Deze zouden afgeleid kunnen zijn van het Proto-Germaanse *auda-bara wat ‘schatdrager’ betekent, van *auda– ‘rijkdom, schat’ en *beran– ‘dragen’. In deze betekenis zijn het dus schatten van kinderen die door de ooievaar worden gebracht.

Sommige etymologen menen echter dat de v van ooievaar niet ontstaan kan zijn uit de b van *beran– en komen daarom met een andere verklaring: de gereconstrueerde samenstelling *uda-faran ‘moerasganger’, met -ud ‘moerassige plaats’ en -faran ‘gaan, lopen’. De betekenis van schatdrager zou dan later via volksetymologie tot stand zijn gekomen.

Maar de meest fantasievolle verklaring vinden we toch wel in Nederlandsche vogelen:

“(…) Terwijl Oije een Schaap betekent, en zy, by groote schoolen in de Oostelyke deelen van Europa verzameld, van daar met een Vaart verhuizen, (…); zou men mogen denken, of de gelykenis naar een Kudde Schaapen, door hunne witheid, en het dus ter vlugt verdwynen, dan hun zweeven by troepen in de Lugt, ook aanleiding gegeven had tot die benaaming, welke oudtyds Oijevaart geschreeven werdt. Doch zulks is onzeker.”

(Nederlandsche Vogelen, blz. 321)

Misschien maar ‘s voor de afwisseling een kudde ooievaartjes gaan tellen, als we de slaap niet kunnen vatten….

Toine Andernach

Gebruikte bronnen

Anglicus, Bartholomaeus (2009). Van den proprieteyten der dinghen. Vertaling van Jacop Bellaert, 1485. Editor: E.M. Versélewel de Witt Hamer, op https://www.dbnl.org/tekst/enge022vand01_01/enge022vand01_01_0013.php#977

Blok, H. & ter Stege, H. (2008). De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre: in eigen beheer.

Brouwer, G. A. (1954). Historische gegevens over onze vroegere ornithologen en over de avifauna van Nederland, Ardea: vol. 41. E.J. Brill.

Eigenhuis, K.J. (2004). Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen. Amsterdam: Stichting Dutch Birding Association.

Heijden, Th. Van der. (2012). Cornelis Musius en de Delftse ooievaar. In: Jaarboek Delfia Batavorum 2011, op http://www.delfia-batavorum.nl/uploads/Afbeeldingen/jaarboeken/Delfia_Batavorum_2011.pdf. Delft: Historische Vereniging Delfia Batavorum.

Maerlant, J. van (1878). Der naturen bloeme. Ed.: Eelco Verwijs. Groningen: J.B. Wolters. Op https://www.dbnl.org/tekst/maer002ever01_01/index.php.

Nozeman, C. & Sepp, C. (Herdruk 2015). Nederlandsche Vogelen 1770-1829. Tielt, België: Lannoo, Den Haag: KB.

Philippa, M., F. Debrabandere, F., Quak, A., Schoonheim, N. en van der Sijs, N. (2003-2009). Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam, op http://etymologiebank.nl/.

Historiek, Redactie (2019). Waarom heeft Den Haag een ooievaar in haar wapen?, op https://historiek.net/ooievaar-den-haag-wapen-waarom/104129/ 

Wilms, H. (2016). Wetenschappelijke namen van de Vogels van Europa, op http://www.wnve.nl.

Naar Geluiden

Bijzondere waarnemingen in regio

Activiteiten

jan
29
vr
hele dag Nationale tuinvogeltelling 2021
Nationale tuinvogeltelling 2021
jan 29 – jan 31 hele dag
Ook dit jaar wordt de tuinvogeltelling weer georganiseerd door de Vogelbescherming Nederland. Hij vindt plaats op 29-31 januari. ben je niet zo goed in het op naam brengen van de vogels. op onderstaande site kunt … Lees verder
mrt
11
do
20:00 Lezing: betekenis van Vogelnamen
Lezing: betekenis van Vogelnamen
mrt 11 @ 20:00 – 21:00
Info volgt, maar reserveer deze datum alvast. Het wordt uiteraard weer een online lezing.