Hans de Winter
句
Alweer de dertiende reeks Haiku’s voor een ode aan vogels en de natuur. Vogels kennen zo te zien een onuitputtelijke bron van levenslust. Wat er ook om hen heen gebeurt, ze gaan gestaag door met hun bezigheden. Ze zijn dan ook voor de geïnteresseerde toeschouwer een bron van vreugde, gemoedsrust en inspiratie.
Twee dunne pootjes
Schragen rust en energie
Roodborst in mijn tuin
Juveniele kwik,
Al helemaal het heertje
Geel moet nog even
Een zeer grote bek,
Meeuwen, duidelijk hoorbaar
Zo kom je er wel
Brutale gasten
Maar een sociaal gebeuren
Dat zijn de kauwtjes
Parmantig stappend
Met een prachtig verenkleed
Mooi zo, ooievaar
Oogverblindend wit
Lang leve de lepelaar
Wat lepelt hij fraai
